Main Content Area

Wijkagent Utrecht binnenstad tijdens corona: ‘Pubers en kwetsbaren zijn nu mijn grootste zorg’

Terwijl de meeste mensen aan huis gebonden zijn vanwege de coronamaatregelen, moeten sommigen juist de straat op. Zoals Lars Maarseveen (32), wijkagent van de Utrechtse binnenstad. ‘Mijn werkgebied is in een paar weken tijd totaal veranderd.’


Dit artikel maakt onderdeel uit van ons project #BlijfSchrijven.



Tekst en foto: Marike Wouters

In het winkelcentrum van Hoog Catharijne, waar gemiddeld ruim 71.000 bezoekers per dag komen, is het doodstil. De winkels hebben hun rolluiken naar beneden. Af en toe snelt een forens met laptoptas voorbij om een trein te halen. Wijkagent Lars loopt midden op de dag over het stationsplein, waar je sinds de ‘intelligente lockdown’ een kanon kunt afschieten. ‘Bizar hè? Zo rustig is het hier gewoonlijk alleen tussen 04.00 en 07.00 uur in de ochtend.’

Als wijkagent in het drukke centrum heeft hij normaal gesproken veel contact met bezoekers, winkeliers en andere ondernemers in de wijk. Dat is wel anders sinds de stad op slot zit. Tegelijkertijd wordt in de verlaten straten opeens een schrijnend probleem extra zichtbaar: de kwetsbare mensen die geen thuis hebben of afhankelijk zijn van de straat.

Hoe ga je daar als wijkagent mee om?

‘De politie heeft nu meer tijd om zich te richten op de eenlingen op straat. Zij vallen nu extra op. Dat is heel triest, maar tegelijkertijd ook goed. We helpen waar we kunnen. Psychisch verwarde mensen bijvoorbeeld, die zorg nodig hebben omdat ze zich niet kunnen redden. Die melden we aan bij de geestelijke gezondheidszorg. We zien veel dak- en thuislozen, al dan niet met een drugs- of drankverslaving. Zij zijn onrustiger en soms agressiever dan normaal.’

Hoe komt dat?

‘Voorheen gingen zij op in de massa, nu zijn ze plots heel zichtbaar. Er is niemand op straat aan wie ze een centje kunnen vragen. Sommigen kunnen niet meer aan de drugs komen waaraan ze verslaafd zijn. Wij als politie kunnen we dit probleem natuurlijk ook niet oplossen, maar we spreken met ze en zien ze als mens. Het is goed dat deze mensen nu opvallen; het zorgt ervoor dat de maatschappij naar ze omkijkt. Dat geldt niet alleen voor dak- en thuislozen, maar voor iedereen die om wat voor reden niet thuis kan of wil zijn.’

Wie kom je nog meer op straat tegen?

Laatst ontmoette ik een vader die iedere dag met zijn twee kinderen in Hoog Catharijne zit om daar hun huiswerk te maken op de openbare wifi. Sinds de scholen gesloten zijn, hebben zijn kinderen geen internet meer. En thuis is er geen geld voor. Na een gesprek met de vader zijn we op zoek gegaan naar een oplossing, want een winkelcentrum is voor kinderen geen plek om huiswerk te maken. Na overleg met het bestuur van de basisschool van zijn kinderen is er een oplossing gevonden. Vaak stellen scholen in zo’n geval materiaal beschikbaar, of zorgen ze dat het kind toch even in het klaslokaal terechtkan.’

Armoede wordt door de lockdown dus een stuk zichtbaarder.

‘Zeker. Ik kom ook pubers tegen die bewust de stad in zijn gevlucht om de thuissituatie te ontlopen. Ze wonen met het gezin in een klein flatje, delen een slaapkamer met een broertje of zusje en zitten boven op elkaars lip.’

Heb je al boetes moeten uitdelen aan mensen die zich niet hielden aan de coronamaatregelen?

‘Drie keer. De politie schrijft niet gelijk bekeuringen uit. We spreken mensen eerst aan op hun eigen verantwoordelijkheid. Als ze na meerdere waarschuwingen nóg niet luisteren, dan geef ik een boete. Bij pubers ben ik terughoudender. Ik merk dat zij zich gewoon niet bewust zijn van de gevaren. Nog steeds kom ik groepjes hangende pubers tegen. Ik snap dat wel. Wat is er nou leuker dan lekker de stad in gaan, als je niet naar school hoeft? Toen ik zelf zestien was wilde ik ook met vrienden ergens hangen in mijn vrije tijd. Daarom probeer ik ze in eerste instantie bewust te maken van het feit dat dit nu gewoonweg even niet kan. De meesten begrijpen het dan wel.’

Vind je het lastig om mensen aan te spreken op zoiets menselijks als samenzijn?

‘Ik moét het wel doen. Dat vraagt deze tijd, dit virus. Want wie spreekt hen anders aan? De politie moet het goede voorbeeld geven en die stap naar voren zetten. Daardoor vind ik het minder lastig. Gelukkig worden we goed geholpen door de jongerenwerkers van Stichting JoU. Zij hebben veel ervaring met het coachen van jongeren. Daar kunnen wij van leren. We werken al langer met hen samen, maar zoeken elkaar nu wat vaker op. We hebben hetzelfde doel: jongeren bewustmaken van de gevaren van corona.’

Zijn er ook mensen die niet naar je luisteren?

‘Vooral de mensen die op straat zwerven en doelloos rondhangen in het centrum. Ik moet ze daarop aanspreken, omdat ze onder invloed zijn van verdovende middelen, of omdat ze met meer dan drie zijn. En geen afstand houden. Ze lappen de regels aan hun laars, hoe vaak je ze er ook op aanspreekt. Het geeft mij als wijkagent soms een machteloos gevoel. Als agent heb ik de taak om de orde en veiligheid in het gebied te bewaken. Maar ik vrees dat de problemen alleen maar erger worden als deze crisis lang gaat duren. Steeds meer mensen belanden op straat, worden depressief of missen hun drugs, waardoor ze agressiever worden.’

Wat doet dat met jou?

‘Als ik straks alleen nog maar met dit soort taken bezig ben, dan gaat mijn eigen ‘rugzakje’ ook wel voller zitten. Ik moet mezelf toch iedere keer weer opladen om het gesprek met ze aan te gaan. Als ik mensen op een goede manier aanspreek, krijg ik meestal geen weerstand. Maar deze dagen zijn erg hectisch, soms is je lontje korter aan het einde van de dag en benader je mensen iets directer. Dan krijg je het meteen terug.’

Ze spiegelen je gedrag?

‘Precies, dan weet je gelijk dat je verkeerd begonnen bent. Tegelijkertijd ben ik ook maar een mens. Ik heb thuis ook een vriendin en een kind, die door mij extra risico lopen om besmet te raken. Daar is mijn vriendin soms best bezorgd over. Ze weet dat ik veel mensen zie en sommigen moet aanraken, bij een arrestatie bijvoorbeeld. En ik doe de boodschappen voor m’n moeder. Natuurlijk blijf ik wel ver uit haar buurt, maar goed – ik sta toch in haar keuken.’

Lars loopt het Vredenburgplein op. De paar marktkooplieden die er nog staan, zijn aan het inpakken. Een vislucht stijgt op vanaf de grond. In de verte loopt een vrouw met een mondkapje op. ‘Kijk, dat is ook een oplossing’, zegt Lars. ‘Maar als agent ga ik er geen dragen. Het bedekt een te groot deel van mijn gezicht. Daarom doe ik tijdens mijn werk ook geen zonnebril op. Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken. Echt contact maken: dat zie ik als een van de belangrijkste aspecten van mijn functie als wijkagent.’

Leuk! DUIC deelde dit verhaal op hun site: bekijk het hier.

--
Geplaatst op 7-04-2020